Kenniscentrum / Opvoeding en ontwikkeling / Een match met een gouden randje

Juni 2016 – Ik word gebeld door mijn collega Christa van de toen nog bestaande afdeling bemiddeling. Ze is op zoek naar een pleeggezin voor een meisje van zeven jaar en vraagt zich af of ze misschien zou passen in een pleeggezin dat ik in het verleden heb begeleid. De jongen die daar eerst woonde, is teruggegaan naar zijn biologische moeder en dus is dit pleeggezin inderdaad weer beschikbaar. Ik spreek met haar af dat ze me de beschikbare informatie toestuurt.

De voorgeschiedenis van het meisje is niet mis. De eerste vier jaren van haar leven woont ze bij haar ouders. Ze groeit op in een omgeving waar verwaarlozing en mishandeling aan de orde van de dag zijn. Wanneer ze na de uithuisplaatsing in een crisispleeggezin wordt gebracht, laat ze een zeer zorgelijke ontwikkeling zien. Ze vertoont duidelijk kenmerken van een ongeremde zeer onveilige hechting. Ze is grenzeloos in contact, kruipt bij iedereen op schoot, is snel gefrustreerd, laat zich niet troosten en er is geen wederkerigheid in contact met haar. Ze reageert niet of nauwelijks op pijn en weigert een lange periode om te eten. Het crisispleeggezin kan haar niet bieden wat ze nodig heeft. Daarom wordt ze opgenomen in een behandelsetting met als doel het verminderen van haar hechtingsproblematiek. Hier blijft ze ruim twee jaar. In die twee jaar groeit het meisje enorm en ze verhuist naar een therapeutisch gezinshuis. Na een klein jaar worden er zelfs weer kansen voor haar gezien voor haar om op te groeien in een pleeggezin.

Het lijkt mij een spannende. Het meisje heeft veel meegemaakt. Ze heeft behoorlijk heftig gedrag laten zien in het crisispleeggezin. Haar onveilige hechting is ontstaan vanuit haar eerste levensjaren. De ouders waren fysiek aanwezig maar vormden tegelijkertijd een gevaar. Het meisje moest bij haar ouders toenadering zoeken en vluchten. Dit patroon zet zij voort in de relaties die zij daarna aan moet gaan. Het gedrag dat daar in het verleden bij kwam kijken, laat zich niet makkelijk sturen binnen een pleeggezin. Ik besluit de in het verleden betrokken collega’s te bellen. De collega die het meisje meemaakte in het crisispleeggezin is sceptisch. Het pittige gedrag wat ze destijds liet zien, staat haar nog helder voor de geest. De collega die nu betrokken is bij de gezinshuisouder is positiever. Dat maakt dat we toch tot een kennismaking over gaan. Pleegouders durven het wel aan. In het voorjaar van 2014 verhuist het meisje naar het pleeggezin.

Deze match blijkt er één met een gouden randje. Pleegouders geven het meisje binnen de grenzen toch verantwoordelijkheden en laten haar meedenken over de kleur van haar kamer en hoe ze hen wil noemen. Het gezin heeft oudere kinderen en in die zin is er geen concurrentie. Dat deze pleegouders emotioneel gezien weinig beroep op haar doen wanneer ze net bij hen woont, is hier de sleutel tot succes. Ze geven het meisje de ruimte om op haar eigen tempo in het gezin te groeien.
Waar het eerst de vraag is of er voor haar nog kansen zijn om in een gezinssetting op te groeien, lijkt het nu bijna de vraag waarom men ooit dacht dat het niet kon. Het meisje woont inmiddels ruim twee jaar in het pleeggezin. Pleegouders noemen haar het zonnetje in huis. Ze zit lekker in haar vel, heeft leuk contact met klasgenootjes en doet het erg goed op school. Ze heeft geleerd om haar emoties op een goede manier te uiten. Daarnaast heeft ze een goedlopend bezoekcontact met haar vader en zusjes.
Wat haar verhaal duidelijk maakt, is dat een onveilige hechting in de jongere jaren regelmatig maar zeker niet altijd blijvend problemen oplevert. Als kinderen maar de juiste hulp krijgen maar vooral; als we ze met elkaar maar de kans durven geven…

Een pleegzorgbegeleider