Thema: wenperiode

Een goed begin is het halve werk

Het zal je maar overkomen: dat je naar een onbekend gezin wordt gebracht en daar moet blijven. Niet zoals in het tv-programma Puberruil: voor een week met uitzicht op snelle hereniging met familie en vrienden. Nee, je weet niet voor hoe lang, misschien tot je volwassen bent, misschien word je nog een keer overgeplaatst of misschien ga je toch terug naar je vader of moeder. Dit overkomt jaarlijks vele pleegkinderen die niet langer thuis kunnen wonen en elders zullen opgroeien. Wat doet een nieuwe plaatsing met een pleegkind, met de pleegouders en de eigen kinderen van pleegouders?

Van een pleeggezin wordt gevraagd dat zij – net als alle gezinnen – hun pleegkind enerzijds structuur en anderzijds een warme en accepterende omgeving bieden. Dit terwijl ze in de meeste situaties geen geschiedenis met elkaar delen en vaak zeer verschillende waarden, normen en verwachtingen hebben. Bovendien hebben veel pleegkinderen traumatische ervaringen achter de rug en hebben daardoor soms moeite om met hun emoties om te gaan. Ze proberen bijvoorbeeld negatieve emoties te verbergen om straf te voorkomen, zijn angstig of hebben driftbuien. Het leren omgaan met elkaars gewoonten en gedrag is voor alle betrokkenen een moeilijke opdracht; voor pleegouders die het pleegkind moeten gaan opvoeden, maar zeker ook voor een pleegkind dat zich bij de start van de plaatsing vaak verlaten en alleen voelt. Natuurlijk speelt de leeftijd van het pleegkind een grote rol in het wenproces; bij een plaatsing van een kind van tien maanden zal dat anders verlopen dan bij een kind van tien jaar. Cruciaal voor een succesvolle plaatsing is dat er wederzijds vertrouwen ontstaat; als pleegouders en pleegkind daarin slagen, groeit een emotionele band en ontstaat een situatie die veilig voelt.

Wennen aan gewoontes en regels
Het pleegkind wordt vanaf de eerste dag geconfronteerd met de gewoontes, regels en eigenaardigheden van het pleeggezin. Structuur en persoonlijke aandacht biedt het pleegkind duidelijkheid en veiligheid. Pleegouders kunnen het pleegkind duidelijke gedragsregels geven of het laten meedraaien in de dagelijkse gewoontes en ritmes, en proberen een balans te vinden door veel samen doen. Vaak is het een combinatie van beiden, waarbij de pleegouders proberen rekening te houden met wat het kind gewend was in zijn of haar biologische gezin en respect te tonen voor de andere gezinsregels en gewoontes die daar golden.

Juist de wenperiode vraagt van de pleegouders en hun eigen kinderen dat ze zich bewust zijn van de eigen regels en zich daaraan consequent houden. De eigen kinderen hebben in het pleeggezin vaak een voorbeeldfunctie voor het pleegkind. Dat vinden ze zelf vaak logisch en tegelijkertijd ook wel lastig.

Veel pleegkinderen vinden in de beginperiode de regels moeilijk of onbegrijpelijk. Ze stellen er vragen over of proberen uit totdat de pleegouders hen corrigeren. Hoewel pleegkinderen hun best doen om alles goed te doen en bang zijn voor straf, lukt het hen niet altijd de regels te volgen.

Elkaar leren kennen
Pleegouders, eigen kinderen en pleegkinderen kunnen elkaar beter leren kennen door samen dingen te doen. Dit kan door in de eerste weken bijzondere dingen met het pleegkind te ondernemen of het pleegkind actief te betrekken bij de dagelijkse dingen.

De eigen kinderen doen meestal als vanzelfsprekend dingen met het pleegkind, bijvoorbeeld buiten spelen, spelletjes doen, wandelen of boodschappen doen. Sommige eigen kinderen houden in het begin bewust afstand, omdat ze eventuele problemen willen afwachten, niet willen hechten voor het geval het pleegkind weer weg moet, of ze gunnen het pleegkind ruimte.

Het komt regelmatig voor dat de eigen kinderen in de beginperiode minder aandacht van hun ouders krijgen. De meeste kinderen snappen dit, ook als het soms lastig kan zijn. Het helpt om er regelmatig met elkaar over te praten en als ouder andere contactmomenten met elkaar in te bouwen, bijvoorbeeld als het jonge pleegkind naar bed is.

Naast het samen optrekken, is het heel belangrijk elkaar ook de ruimte te geven en daarbij de eigenheid van het pleegkind te erkennen; door het ruimte te geven voor de eigen familie, een eigen plekje te bieden waar het zich kan terugtrekken, eigen spulletjes te geven/hebben en het geven van eigen keuzes.

Emoties, onzekerheid en vertrouwen
De wenperiode kan bij alle betrokkenen heftige emoties opgeroepen, die niet altijd gemakkelijk te hanteren zijn. Hoewel het niet altijd makkelijk is, is het delen van de emoties – de positieve en negatieve – van belang voor het voelen van verbondenheid.

Pleegouders kunnen door het voorbereidingstraject en hun levenservaring een redelijk goede inschatting maken van wat hen als pleeggezin te wachten staat. Ze weten waarom ze het doen en kennen de potentiële leuke, maar ook lastige kanten. Pleegouders zien dan ook vaak uit naar de komst van hun pleegkind. Bij pleegkinderen roept een plaatsing daarentegen aanvankelijk vooral negatieve emoties op. Vaak zijn ze verward, verdrietig, angstig en gespannen. Het delen van de emoties met hun pleegouders vinden pleegkinderen meestal moeilijk; ze verbergen hun emoties liever, troosten zichzelf of zoeken afleiding. Dit leidt dan vaak tot vreemd gedrag of het op momenten ongecontroleerd uiten van emoties.

Voor de eigen kinderen is het moeilijke of wisselende gedrag van hun nieuwe huisgenoot vaak onbegrijpelijk en ze zullen dit over het algemeen als vervelend ervaren. Een pleegkind dat zich te meegaand opstelt, vinden eigen kinderen meestal ook vervelend. De eigen kinderen moeten ook wennen aan de veranderingen in de eigen leefsituatie: plots is er een nieuw kind in het gezin, er gelden andere leefregels en speelgoed, ruimte en aandacht moeten verdeeld worden. Verwarring en zorgen over de nieuwe situatie is te verwachten. Het is daarom belangrijk – als de situatie en de leeftijd dat toestaat – vooraf met de kinderen te spreken; hen voor te bereiden op de komst van het pleegkind en hen uitleg te geven over wat er (mogelijk) verandert, waarom en voor hoe lang. Voor de eigen kinderen ontstaat dan meer ruimte om veranderingen positief en met vertrouwen tegemoet te treden, trots te zijn op ‘hun pleegkind’ en op hun gezin.

De moeilijke achtergrond van het pleegkind, al is het nog zo algemeen geformuleerd, kan bij de eigen kinderen soms heftige emoties oproepen: van deernis met het kind tot verontwaardiging om wat het is aangedaan. Sommige eigen kinderen maken zich ook zorgen dat de plaatsing hun ouders te veel zal belasten. Eigen kinderen zijn echter meestal goed in staat hun emoties over de plaatsing te delen en als ze in sommige gevallen hun gevoelens proberen te verbergen, hebben hun ouders dit meestal snel door.

Gelukkig ervaren pleegkinderen meestal ook positieve gevoelens, bijvoorbeeld over de gezinsleden, een huisdier of de omgeving waarin het terecht is gekomen. Die positieve instelling gaat vaak samen met de acceptatie van wat onvermijdelijk is.

Doe ik het goed?
Veel pleegouders begrijpen de emoties die een nieuwe plaatsing en het wennen bij de (pleeg)kinderen losmaakt. Ze doen er dan ook hun uiterste best voor om het wennen aan elkaar te vergemakkelijken en te helpen om de plaatsing in het pleeggezin voor iedereen zo positief mogelijk te laten verlopen. Uiteraard kunnen pleegouders niet altijd voorkomen dat de (pleeg)kinderen negatieve emoties ervaren.

Lastig voor pleegouders is bijvoorbeeld dat voor hen niet altijd duidelijk is waar het gedrag of de emoties bij het pleegkind vandaan komen. Omdat pleegouders het pleegkind vaak nog niet goed kennen, weten zij ook niet precies wat sociaal wenselijk gedrag is en welke emoties het kind verbergt. Daarnaast komen er emoties los bij de pleegouders zelf en zoeken zij vaak nog naar de juiste manier van handelen. De pleegzorgbegeleider kan pleegouders dan ondersteunen, door meer informatie te geven over de achtergrond van het pleegkind en/of pleegouders advies te geven over het omgaan met bepaald gedrag. Hij/zij denkt ook graag mee over vraagstukken die pleegouders juist in de wenperiode bezighouden, zoals: houd ik te veel afstand of kom ik te nabij? Moet ik streng optreden of het laten lopen? Is dit leeftijdsadequaat gedrag? Ook het uitwisselen van ervaringen met andere pleegouders kan pleegouders veel steun bieden.

Het blijft een uitdaging
Het wennen in een pleeggezin is nooit klaar. Als de relaties in het gezin zich ontwikkelen, brengt dit weer nieuwe veranderingen met zich mee. Andersom leiden veranderingen in het pleeggezin weer tot uitdagingen voor de ontwikkeling: van pleegkinderen, maar ook van pleegouders en hun eigen kinderen.


Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het onderzoeksrapport
Nooit meer alleen. Wennen in een pleeggezin’, Universiteit van Amsterdam en Stichting Alexander.

Meer over de wenperiode
– Als u een bijplaatsing overweegt 
– POR ‘Bijplaatsing, ervaringen van pleegouders’
– Interview Het heeft zo moeten zijn’


Naar veelgestelde vragen Opvoeding en ontwikkeling