Kenniscentrum / Wet- en regelgeving / Gevolgen transitie

Wat betekent de transitie van de jeugdzorg voor u/uw pleegkind?

Vanaf 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van de jeugdhulp. Dit raakt ook de pleegzorg. Hoe de continuïteit van de zorg wordt gewaarborgd, is landelijk vastgesteld. 

Voor jeugdzorg geldt een overgangsregeling. Wie nu jeugdzorg krijgt, of op de wachtlijst staat bij een jeugdzorginstelling, heeft in 2015 recht op dezelfde hulp bij dezelfde behandelaar of organisatie. Concreet betekent dit:

  • de beslissing van de kinderrechter, en de duur van de maatregel blijft geldig
  • indien een indicatie nog geldig is op 1-1-2015 dan houdt het kind recht op dezelfde zorg die in die indicatie staat. Zo mogelijk van dezelfde zorgaanbieder als in 2014.
  • is de einddatum in 2015, dan stopt het overgangsrecht op die datum in 2015.
  • is de einddatum na 1-1-2016 dan stopt het overgangsrecht op 1-1-2016.

Het overgangsrecht stopt ook als verantwoordelijke gemeente een ander hulpaanbod doet, dat wordt geaccepteerd.

Voor pleegzorg is er een uitgebreidere regeling. De regeling houdt in dat, bij plaatsing in kader van OTS of voogdij-maatregel:

  • pleegkinderen in hun huidige pleeggezin kunnen blijven zolang dat nodig is,
  • pleeggezinnen het recht houden op de ondersteuning van de huidige pleegzorgaanbieder, ook als de verantwoordelijke gemeente samenwerkt met een andere pleegzorgaanbieder.

Bij een plaatsing in het vrijwillige kader (met indicatie BJZ) geldt dat:

  • kinderen in het huidige pleeggezin kunnen blijven zolang dat nodig is. De voor de zorg verantwoordelijke gemeente kan wel contact opnemen met de betrokkenen om te bekijken hoe lang de plaatsing nog nodig is.

De pleegoudervergoeding blijft bestaan. De landelijke overheid blijft de hoogte van de vergoeding bepalen en is daarom in elke gemeente hetzelfde. Het is nog niet duidelijk wat de regeling wordt ten aanzien van de vergoeding van de bijzondere kosten. Het is mogelijk dat hierin verschillen ontstaan tussen gemeenten, pleegzorgaanbieders en de soort plaatsing.

In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel opgenomen. Voor pleegzorg betekent dit dat de gemeente waarin de ouder(s) met gezag ten tijde van de aanmelding woonde(n), verantwoordelijk is voor de zorg en de financiering ervan. Als de voogdij bij een instelling of bij pleegouders ligt, is de feitelijke verblijfplaats van de jeugdige leidend. Als pleegouders een kind uit een andere gemeente/regio opvangen, maakt de huidige pleegzorgaanbieder afspraken met de verantwoordelijke gemeente. Pleegouders hoeven hiervoor geen actie te ondernemen.

Het aanmelden voor jeugdhulp zal per 1 januari 2015 anders gaan. Gemeenten kunnen zelf bepalen hoe zij dat regelen. Uitgangspunt is dat hulp in het vrijwillige kader loopt via de gemeente. Dit zal in veel gemeenten het Centrum voor Jeugd en Gezin en het wijkteam zijn. Bij jeugdhulp in het gedwongen kader worden (ook) de kinderrechter en de gecertificeerde instelling (voorheen BJZ) betrokken.

Vragen?
Maakt u zich zorgen of twijfelt u over wat de veranderingen voor u en/of uw pleegkind betekenen? Leg dit dan voor aan uw pleegzorgbegeleider of aan de (gezins)voogd. Hij/zij kan het op maat voor u (laten) uitzoeken.

Meer over de Transitie jeugdzorg:
– Over de transitie (1)
– Over de transitie (2)