Pleegzorg in de Jeugdwet

Vanaf 1 januari 2015 is de Jeugdwet van kracht. Hieronder staan de artikelen die direct betrekking hebben op pleegzorg. Letterlijke wettekst is cursief weergegeven. De links in het artikel verwijzen naar de toepassing binnen FlexusJeugdplein.

Artikel 2.3.6: Uithuisplaatsing
Het college draagt er zorg voor dat de jeugdige in het geval van een uithuisplaatsing, indien redelijkerwijs mogelijk, bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in belang is van de jeugdige. 

Artikel 2.6: Vertrouwenspersoon
In lid 1f van artikel 2.5 staat beschreven dat de gemeente moet zorgen voor een onafhankelijke vertrouwenspersoon waarop jeugdigen, ouders, pleegouders of netwerkpleegouders een beroep kunnen doen.

Artikel 4.1.3: Hulpverleningsplan
Dit artikel beschrijft dat gewerkt moet worden op basis van een hulpverleningsplan of plan van aanpak. Bij het vaststellen van dit hulpverleningsplan moet de pleegouder betrokken worden. Instemming van de pleegouder is nodig voor zover het de omschrijving van zijn rol in het hulpverleningsproces betreft en de wijze waarop de begeleiding door de pleegzorgaanbieder plaatsvindt (lid 6).

Artikel 4.1.4 Kwaliteit hulpverlening
Dit artikel gaat over de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de hulpverlening. Van belang voor de pleegzorg is dat onder kwaliteit van de hulpverlening mede wordt verstaan: de begeleiding door de pleegzorgaanbieder van een pleegouder gedurende de plaatsing van een jeugdige] (lid 3).

Artikel 4.2.1 Klachtenregeling
Lid 1 van dit artikel beschrijft dat er een klachtenregeling moet komen, waarop ook pleegouders een beroep kunnen doen: De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling treffen een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens een jeugdige, ouder of pleegouder in het kader van de verlening van jeugdhulp, de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij brengen de regeling op passende wijze onder de aandacht van de jeugdigen, ouders en pleegouders (lid 1). In lid 2 wordt deze klachtenregeling uitgewerkt.

Artikel 4.2.12 Medezeggenschap
Lid 1 schrijft voor: De pleegzorgaanbieder stelt een pleegouderraad in, die binnen het kader van zijn doelstelling de gemeenschappelijke belangen van de pleegouders behartigt. Een pleegzorgaanbieder kan deze verplichting ook nakomen door instelling van een pleegouderraad die voor meer dan één door hem in stand gehouden zorgeenheid werkzaam is. Deze pleegouderraad, ook wel por genoemd, functioneert als een medezeggenschapsorgaan. In artikel 4.4.12 wordt de werking van deze organen toegelicht.

Artikel 5.1 Eisen pleegouders
1. De pleegzorgaanbieder sluit een pleegcontract met een pleegouder indien deze voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. de pleegouder heeft ten minste de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;
b. de pleegouder is niet tevens door de pleegzorgaanbieder belast met de begeleiding van een pleegouder;
c. de pleegouder heeft met goed gevolg een door de pleegzorgaanbieder aangeboden voorbereidings- en selectietraject afgerond, en
d. de pleegouder beschikt over een verklaring van geen bezwaar die is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen bezwarende feiten en omstandigheden zijn voor het verzorgen en opvoeden van een pleegkind. Deze voorwaarde geldt tevens voor alle personen van twaalf jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven. De verklaring is vereist voor de aanvang van de opvoeding en verzorging van een jeugdige, voorafgaand aan de plaatsing van een eerste jeugdige, bij een wisseling van pleegzorgaanbieder, bij de komst van nieuwe inwonenden en indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest.

2. De pleegzorgaanbieder beoordeelt voorts of de jeugdige in het gezin van de pleegouder kan worden geplaatst, gelet op de leeftijd en de problemen van de jeugdige, de samenstelling van het gezin van de pleegouder en de verwachte duur van de plaatsing. Deze vaststelling en beoordeling vinden plaats voorafgaand aan de plaatsing van de jeugdige in het gezin van de pleegouder.

3. Indien de betrokkene de jeugdige reeds verzorgt en opvoedt voorafgaand aan het sluiten van een pleegcontract, kan in afwijking van het eerste lid, onder c en d, en het tweede lid, aan de in die artikelonderdelen bedoelde voorwaarden worden voldaan binnen dertien weken nadat een pleegcontract is gesloten, mits de betrokken pleegzorgaanbieder daarbij oordeelt dat de verzorging en opvoeding van de jeugdige door betrokkene niet schadelijk is voor de ontwikkeling van de jeugdige. De betrokkene heeft er recht op dat de pleegzorgaanbieder binnen dertien weken na het sluiten van het pleegcontract vaststelt of aan de in de eerste volzin bedoelde voorwaarden is voldaan. Zodra tijdens die periode blijkt dat niet aan de voorwaarden zal worden voldaan, kan het pleegcontract onverwijld beëindigd worden.

Artikel 5.2 Pleegcontract
1. Het pleegcontract bevat in ieder geval afspraken omtrent de wijze waarop de verzorging en opvoeding van een jeugdige door de pleegouder worden uitgevoerd en de begeleiding die zij daarbij ontvangen van de pleegzorgaanbieder.

2. De afspraken over de begeleiding van een pleegoudervoogd beperken zich tot een begeleiding van ten hoogste één gesprek per jaar, tenzij de pleegoudervoogd verzoekt om meer begeleiding.

Artikel 5.3 Pleegvergoeding
1. Een pleegzorgaanbieder verstrekt aan een pleegouder met wie hij een pleegcontract heeft gesloten een vergoeding voor de verzorging en opvoeding van de in het gezin van de pleegouder geplaatste jeugdige, bestaande uit een basisbedrag, welk bedrag kan worden vermeerderd met een toeslag, of verminderd met een korting. Daarnaast verstrekt een pleegzorgaanbieder een vergoeding van bijzondere kosten aan pleegouders. 

2. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld over:
a. de hoogte van het basisbedrag en het maximale bedrag van de toeslagen, welke bedragen voor de onderscheiden leeftijdscategorieën van pleegkinderen kunnen verschillen;
b. de omstandigheden waaronder een toeslag of een korting wordt verleend of toegepast;
c. de dagen waarover het basisbedrag en de toeslagen worden verleend en de kortingen worden toegepast, en
d. de vergoeding van bijzondere kosten die de pleegouder maakt ten behoeve van de jeugdige, waaronder de gevallen waarin bijzondere kosten worden vergoed.

Artikel 5.4 Informatie
1. De pleegzorgaanbieder verstrekt aan de pleegouder in het belang van de verzorging en de opvoeding van de jeugdige, zo nodig zonder toestemming en zo mogelijk voorafgaand aan de plaatsing, inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een jeugdige of diens verzorging of opvoeding betreffen en die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de taak van de pleegouder. Deze inlichtingen kunnen mede omvatten persoonsgegevens betreffende de gezondheid, bedoeld in artikel 21 van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 10.3 Continuïteit van huidige pleegzorg
De gemeenten zijn vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe Jeugdwet verantwoordelijk voor alle jeugdigen en ouders die een beroep doen op jeugdhulp. Jeugdigen of ouders die vóór 1 januari 2015 (jeugd)zorg ontvangen of reeds een recht op (jeugd)zorg hebben ontvangen, blijven dit na inwerkingtreding van de Jeugdwet ontvangen. Voor pleegzorg geldt daarbij géén termijn en wordt bovendien geregeld dat de jeugdige niet zonder inhoudelijke redenen geconfronteerd mag worden met een verandering van pleegouders. Hiermee wordt de continuïteit van pleegzorg voor het individuele pleegkind geborgd.

Lid 2: De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet gelden met betrekking tot jeugdzorg waarvoor een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, in de plaats treedt van de gedeputeerde staten van de provincie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg. 

Lid 3: Het college is er verantwoordelijk voor dat de jeugdige in een situatie als bedoeld in het tweede lid, de jeugdhulp die reeds is ingezet voor inwerkingtreding van deze wet, na inwerkingtreding van deze wet kan voortzetten bij dezelfde aanbieder, indien dit redelijkerwijs mogelijk is.

Lid 4: In afwijking van het tweede lid geldt ingeval sprake is van een indicatiebesluit waarin is vastgesteld dat de jeugdige aangewezen is op pleegzorg, geen einddatum voor de rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan dit besluit jegens het college.

Lid 5: Het college is er verantwoordelijk voor dat bij de jeugdige in een situatie als bedoeld in het tweede lid, die voor inwerkingtreding van deze wet reeds is geplaatst bij een pleegouder, de pleegzorg wordt voorgezet bij dezelfde pleegouders. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien dat voor de verlening van verantwoorde hulp noodzakelijk is.