Kenniscentrum / Wet- en regelgeving / Transitie jeugdzorg (2)

Transitie jeugdzorg (2)

Op 2 oktober 2014 organiseerde de Pleegouderraad (POR) samen met FlexusJeugdplein een tweede themabijeenkomst over het thema Transitie van de jeugdzorg. In de eerste bijeenkomst werd uitleg gegeven over wat er gaat veranderen in de jeugdzorg en welke gevolgen dat heeft voor de pleegzorg. In deze tweede bijeenkomst vertelde René Meuwissen, bestuurder van Bureau Jeugdzorg Rotterdam, meer over de veranderingen bij Bureau Jeugdzorg. Peter Kouwenberg, voormalig bestuurder van de William Schrikker Groep, benadrukte in zijn presentatie dat pleegzorg zich juist nu stevig moet profileren.

ReneMeNa een introductie door de POR en FlexusJeugdplein opent René Meuwissen de avond met te vertellen dat hij zelf ooit ook de wens had om pleegouder te worden. Door zijn gezinsomstandigheden is het daar helaas nooit van gekomen. Vanuit zijn persoonlijke ervaring en zijn werk weet hij hoe ongelooflijk belangrijk pleegouders zijn voor kinderen. Meuwissen: ‘Pleegouders geven kinderen de kans om zich toch te hechten en zijn alleen daarom al goud waard.’

Bureau Jeugdzorg wordt Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
Na deze persoonlijke woorden gaat Meuwissen in op de veranderingen bij Bureau Jeugdzorg. Hij vertelt dat Bureau Jeugdzorg Rotterdam zoals we dat nu kennen, zal verdwijnen. Bureau Jeugdzorg Rotterdam wordt Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond en is vanaf 1 januari 2015 de gecertificeerde instelling voor de regio Rotterdam-Rijnmond. De organisatie gaat zich dan volledig richten op de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. De Toegang (vrijwillige hulp), diagnostiek en De Kindertelefoon zullen elders, en soms in een andere vorm, worden ondergebracht. De vrijwillige hulp, bijvoorbeeld, zal uitgevoerd gaan worden door wijkteams.

Regionale jeugdbeschermingsteams
Om goed aan te kunnen sluiten bij de nieuwe situatie waarin de hulpverlening vooral wordt georganiseerd in de gemeente en de wijken, is Bureau Jeugdzorg recent gestart met gebiedsgericht werken. Dit betekent concreet dat ze de medewerkers in 21 regio’s hebben ingedeeld en dat elk regioteam bestaat uit een mix van disciplines. Medewerkers van de William Schrikker Groep zullen ook deel gaan uitmaken van deze jeugdbeschermingsteams. Voordeel is dat elk wijkteam zo een vaste groep medewerkers als aanspreekpunt heeft en er makkelijker met elkaar kan worden afgestemd en samengewerkt. Doel is dat oplossingen zoveel mogelijk in “de wijk” worden gevonden en dat kinderen daardoor minder snel uit huis geplaatst worden.

Gevolgen voor pleegzorg
De nieuwe indeling kan verschuivingen tot gevolg hebben. Ook pleegouders kunnen daarmee te maken krijgen doordat hun pleegkind een andere (gezins)voogd krijgt. Meuwissen realiseert zich dat dat vervelend kan zijn en Bureau Jeugdzorg kiest daarom voor een geleidelijke overgang, waarbij ook aandacht kan zijn voor bezwaren tegen een wisseling. In een dergelijke situatie zal in goed overleg naar een oplossing gezocht worden.

Naar aanleiding van een vraag van een pleegouder benadrukt Meuwissen dat een verzoek van Bureau Jeugdzorg aan pleegouders om de pleegoudervoogdij op zich te nemen, los staat van de transitie en de veranderingen die dat met zich meebrengt. Meuwissen: ‘Het is al enige jaren het landelijke beleid om de voogdij daar waar het kan en in het belang van het kind bij de pleegouders te beleggen.’ ‘Maar, als de vraag van Bureau Jeugdzorg komt,  is en blijft het de keuze van de pleegouders’, vult Yvonne van Adrichem, manager hulpverlening van FlexusJeugdplein aan. Voor informatie, advies en ondersteuning bij deze keuze kunnen pleegouders terecht bij hun pleegzorgbegeleider.

Een andere pleegouder brengt in dat in de nieuwe jeugdwet is vastgelegd dat er bij pleegoudervoogdij nog maar één bezoek per jaar plaatsvindt door de pleegzorgaanbieder. Bestuurslid van FlexusJeugdplein, Jacques Bovens, geeft hierop aan dat dit is het wettelijk minimum is. FlexusJeugdplein hanteert de regel dat als er meer pleegzorgbegeleiding nodig is, het pleeggezin daarop kan (blijven) rekenen. Afspraken hierover worden in goed overleg tussen het pleeggezin en de begeleider gemaakt.

Download complete ppt-presentatie René Meuwissen

Pleegzorg vertegenwoordigt “het hart”
PeterK
Na de presentatie van René Meuwissen krijgt Peter Kouwenberg het woord. Hij is 37 jaar actief in de jeugdzorg en is nu, na jaren bestuurder te zijn geweest bij de William Schrikker Stichting, interim bestuurder bij Bureau Jeugdzorg Flevoland. Voor hem is dit de derde transitie van de jeugdzorg. Door de jaren heen heeft hij de jeugdzorg steeds professioneler zien worden. Hij vindt dat daarin is doorgeschoten. Kouwenberg: ‘Met alle regelgeving zijn we in de jeugdzorg “het hart” kwijtgeraakt. Waar blijven de kinderen in dit verhaal?’ In de pleegzorg ziet Kouwenberg nog wel “het hart”. Daarnaast ziet hij pleegzorg als een goed voorbeeld van de pedagogische civil society; het zorgen voor elkaar. In de politiek is daar nu veel aandacht voor. Kouwenberg roept dan ook de Pleegzorg en pleegouders op om juist nu van zich te laten horen: ‘Geloof in wat je doet en draag dat uit!’

Richard Scalzo, pleegouder en hoofd afdeling Jeugd bij de gemeente Rotterdam, geeft in reactie op het pleidooi van Kouwenberg aan dat de gemeente Pleegzorg buitengewoon belangrijk vindt. Scalzo: ‘Ja, de transitie gaat gepaard met grote bezuinigingen, maar niet ten koste van pleegzorg, integendeel.’ Jacques Bovens, bestuurslid van FlexusJeugdplein, vult aan: ‘Vanuit de overtuiging dat pleeggezinnen kinderen over het algemeen meer kunnen bieden dan woonvoorzieningen, hebben wij de keuze gemaakt onze residenties te sluiten en die middelen in te zetten voor de uitbreiding van pleegzorg. De gemeenten ondersteunen ons in deze keuze.’

Wat betekent de transitie voor u/uw pleegkind?

Aan het eind van de avond was er gelegenheid voor pleegouders om hun vragen voor te leggen aan een panel bestaande uit René Meuwissen, Peter Kouwenberg, Richard Scalzo, Jacques Bovens en de voorzitter van de POR, Marian Rink. Enkele vragen en de antwoorden daarop zijn hierboven al aan de orde geweest. Voor pleegouders is het van belang te weten dat:

Voor jeugdzorg geldt een landelijk vastgestelde overgangsregeling. Wie nu jeugdzorg krijgt, of op de wachtlijst staat bij een jeugdzorginstelling, heeft in 2015 recht op dezelfde hulp bij dezelfde behandelaar of organisatie. Concreet betekent dit:

  • de beslissing van de kinderrechter, en de duur van de maatregel blijft geldig
  • indien een indicatie nog geldig is op 1-1-2015 dan houdt het kind recht op dezelfde zorg die in die indicatie staat. Zo mogelijk van dezelfde zorgaanbieder als in 2014.
  • is de einddatum in 2015, dan stopt het overgangsrecht op die datum in 2015.
  • is de einddatum na 1-1-2016 dan stopt het overgangsrecht op 1-1-2016.

Het overgangsrecht stopt ook als verantwoordelijke gemeente een ander hulpaanbod doet, dat wordt geaccepteerd.

Voor pleegzorg is er een uitgebreidere regeling. De regeling houdt in dat:

bij plaatsing in kader van OTS of voogdij-maatregel:

  • pleegkinderen in hun huidige pleeggezin kunnen blijven zolang dat nodig is,
  • pleeggezinnen het recht houden op de ondersteuning van de huidige pleegzorgaanbieder, ook als de verantwoordelijke gemeente samenwerkt met een andere pleegzorgaanbieder.

Bij een plaatsing in het vrijwillige kader (met indicatie BJZ) geldt dat:

  • kinderen in het huidige pleeggezin kunnen blijven zolang dat nodig is. De voor de zorg verantwoordelijke gemeente kan wel contact opnemen met de betrokkenen om te bekijken hoe lang de plaatsing nog nodig is.

De pleegoudervergoeding blijft bestaan. De landelijke overheid blijft de hoogte van de vergoeding bepalen en is daarom in elke gemeente hetzelfde. Het is nog niet duidelijk wat de regeling wordt ten aanzien van de vergoeding van de bijzondere kosten. Het is mogelijk dat hierin verschillen ontstaan tussen gemeenten, pleegzorgaanbieders en de soort plaatsing.

In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel opgenomen. Voor pleegzorg betekent dit dat de gemeente waarin de ouder(s) met gezag ten tijde van de aanmelding woonde(n), verantwoordelijk is voor de zorg en de financiering ervan. Als de voogdij bij een instelling of bij pleegouders ligt, is de feitelijke verblijfplaats van de jeugdige leidend. Als pleegouders een kind uit een andere gemeente/regio opvangen, maakt de huidige pleegzorgaanbieder afspraken met de verantwoordelijke gemeente. Pleegouders hoeven hiervoor geen actie te ondernemen.

Het aanmelden voor jeugdhulp zal per 1 januari 2015 anders gaan. Gemeenten kunnen zelf bepalen hoe zij dat regelen. Uitgangspunt is dat hulp in het vrijwillige kader loopt via de gemeente. Dit zal in veel gemeenten het Centrum voor Jeugd en Gezin en het wijkteam zijn. Bij jeugdhulp in het gedwongen kader worden (ook) de kinderrechter en de gecertificeerde instelling (voorheen BJZ) betrokken.

Vragen?
Maakt u zich zorgen of twijfelt u over wat de veranderingen voor u en/of uw pleegkind betekenen? Leg dit dan voor aan uw pleegzorgbegeleider of aan de (gezins)voogd. Hij/zij kan het op maat voor u (laten) uitzoeken.

 

Meer over de Transitie jeugdzorg:
– Over de transitie (1)