Kenniscentrum / Wet- en regelgeving / Transitie jeugdzorg Q&A

Transitie jeugdzorg: ‘Wat verandert er voor mijn gezin?’

De transitie van de jeugdzorg is complex en brengt veel veranderingen en onzekerheid met zich mee. Pleegouders hebben dan ook veel vragen. Voorafgaand en tijdens de informatieavond over de transitie van de jeugdzorg op 26 maart 2014 konden pleegouders hun zorgen en vragen voorleggen aan een panel dat bestond uit uit:

(V.l.n.r.) Richard Scalzo, pleegouder en hoofd afdeling Jeugd bij de gemeente Rotterdam, Marian Rink, voorzitter pleegouderraad FlexusJeugdplein, Yvonne van Adrichem, manager hulpverlening en portefeuillehouder pleegzorg FlexusJeugdplein, Andre van der Pol, teammanager Jeugdbescherming en Zorgbemiddeling Bureau Jeugdzorg Rotterdam, Jacques Bovens, bestuurslid FlexusJeugdplein.

 

Vragen en antwoorden  (klik hier voor actueel overzicht)

Hoe wordt de kwaliteit en de continuïteit van de zorg gewaarborgd?

De opdracht en verantwoordelijkheid die de gemeenten krijgen, is enorm. Zij moeten de complexe jeugdzorg in nieuwe banen gaan leiden, en krijgen daarvoor ook nog eens minder geld dan nu voor de jeugdzorg uitgetrokken wordt. De gemeenten in de regio Rijnmond realiseerden zich dat een dergelijke grote verandering een zorgvuldige voorbereiding en tijd vraagt. Gekozen is voor een samenwerking tussen de gemeenten onderling en met de huidige zorgaanbieders. Nieuwe zorgaanbieders worden nog niet toegelaten. Voordelen van deze aanpak zijn onder meer dat:

– de zorg na 1 januari 2015 gewoon doorloopt,
– cliënten veelal hun vertrouwde hulpverlener behouden,
– de bestaande expertise en ervaring wordt benut,
– duurdere en specialistische vormen van zorg ook beschikbaar blijven voor gezinnen in kleine gemeenten,
– er ruimte is voor de inhoudelijke ontwikkeling en de transformatie van de zorg,
– er tijd is om gezamenlijk de bezuinigingstaakstelling te realiseren.

De landelijke Transitie Autoriteit Jeugd controleert of de overheveling van taken naar de gemeenten wel gaat zoals verwacht en of de voortgang van hulp en zorg niet in gevaar komt. Het mag bijvoorbeeld niet zo zijn dat gezinnen geen hulp krijgen omdat in september blijkt dat het geld al op is.

Bovenstaande neemt niet weg dat er bij FlexusJeugdplein – met name voor de langere termijn – ook zorgen zijn. Wij verwachten dat als de gemeenten overgaan tot aanbesteden en andere vormen van inkoop, er een heel andere dynamiek in de sector ontstaat. Het risico is dat de kosten gaan regeren en er veel energie gaat naar het beconcurreren van elkaar.

Welke gemeenten vallen onder de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond?

De regio Rijnmond omvat de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle a/d IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen a/d IJssel, Lansingerland, Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen en Westvoorne. 

Wat is het woonplaatsbeginsel?

In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel opgenomen. Dit betekent dat de gemeente waarin de ouders met gezag ten tijde van de aanmelding woonden, verantwoordelijk is voor het zorgaanbod en de financiering daarvan. Als de voogdij bij een instelling of pleegouders ligt, is de feitelijke verblijfsplaats van het kind leidend. In de pleegzorg kan dit leiden tot ingewikkelde situaties. Onderstaand, bij de beantwoording van andere vragen, gaan we hier nader op in.

Bestaat de kans, omdat biologische ouders van het pleegkind in een ander gemeente/regio wonen, dat het pleegkind naar een ander pleeggezin moet?

Hier speelt het woonplaatsbeginsel mee. Binnen de regio Rijnmond maakt het echter niet uit om welke gemeente het precies gaat, omdat de gemeenten in de regio Rijnmond in ieder geval de komende twee jaar samenwerken in de pleegzorg. Om de vraag verder te beantwoorden, moeten we kijken naar de betreffende situatie. Er verandert niets als:
– de biologische ouders met gezag over hun kind ten tijde van de aanmelding woonden in de regio Rijnmond.
– de voogdijinstelling in Rotterdam de voogdij heeft, en het pleegkind woont in de regio Rijnmond
– pleegouders de pleegoudervoogdij hebben, en met het pleegkind wonen in de regio Rijnmond.

De situatie is anders als pleegoudervoogden, met hun pleegkind, buiten de regio Rijnmond wonen. In dat geval is die gemeente verantwoordelijk voor de zorg en de financiering ervan. Die gemeente kan besluiten dat een andere instelling(en) de begeleiding van de pleegoudervoogden en pleegkind gaat verzorgen. FlexusJeugdplein gaat er vanuit dat gemeenten hierin een zorgvuldige afweging maken en dit waar nodig onderling met elkaar regelen. We achten het – zeker bij pleegoudervoogdij – zeer onwaarschijnlijk dat gemeenten de wens uitspreken dat pleegkinderen naar een ander pleeggezin gaan.

Als de biologische ouders met gezag over hun kind ten tijde van de aanmelding buiten de regio Rijnmond woonden, is die gemeente verantwoordelijk. In dat geval is hetzelfde scenario van toepassing zoals geschetst bij pleegoudervoogden. FlexusJeugdplein gaat nu na bij welke plaatsingen dit speelt.

Gaat er gekort worden op de pleegvergoeding?

De pleegvergoeding is onderdeel van de Jeugdwet en wordt ieder jaar landelijk vastgesteld. Gemeenten moeten zich daaraan houden. Richard Scalzo: ‘Pleegzorg wordt door de gemeenten als een zeer waardevolle vorm van zorg gezien. De kans dat gemeenten op de pleegvergoeding willen bezuinigingen acht ik niet groot. In vergelijking met de residentiële zorg is pleegzorg al vele malen goedkoper.’

Blijven alle pleegzorgvarianten bestaan?

Gemeenten mogen vanaf 2015 zelf invulling geven aan de indicatiecriteria voor pleegzorg. De verwachting van FlexusJeugdplein is dat gemeenten met name scherper gaan kijken naar kinderen die worden opgevangen in het eigen netwerk. Vaker zal de vraag worden gesteld of de betreffende kinderen echt aangewezen zijn op pleegzorg.

Jacques Bovens: ‘Nu al zien we een verschuiving van formele zorg naar meer informele zorg; familie, buren, vrienden of bijvoorbeeld de geloofsgemeenschap, worden meer en meer betrokken om gezinnen met problemen te ondersteunen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om het ondersteunen bij de administratie, helpen met het huiswerk, maar kan ook inhouden dat de kinderen af en toe een weekendje gaan logeren. Het is daarom best mogelijk dat wat we nu als weekendpleegzorg kennen, op termijn niet meer in dezelfde vorm zal bestaan.’

Behoud ik mijn begeleider pleegzorg?

Ja, tenzij… FlexusJeugdplein blijft aan pleegouders met pleegkinderen afkomstig uit de regio Rijnmond ten minste tot en met 2016 de pleegzorg verzorgen. Dit betekent dat pleegouders in de meeste gevallen hun begeleider behouden. Reguliere wisselingen bijvoorbeeld als gevolg van het vertrek van een medewerker, krimp of uitbreiding kunnen niet voorkomen worden.

En, er is nog een uitzondering… Als pleegoudervoogden, met hun pleegkind, buiten de regio Rijnmond wonen, kan die gemeente besluiten dat een andere instelling de begeleiding van de pleegoudervoogden moet gaan verzorgen. Dit geldt ook als de biologische ouders met gezag over hun kind ten tijde van de aanmelding buiten de regio Rijnmond woonden. FlexusJeugdplein gaat ervan uit dat gemeenten in dergelijke situaties aandacht hebben voor het belang van het pleeggezin en de continuïteit van de zorg.

Bureau Jeugdzorg verdwijnt. Wat betekent dat?

Per 1 januari 2015 verdwijnen de Bureaus Jeugdzorg. Daarvoor in de plaats komen “gecertificeerde instellingen”. De gecertificeerde instellingen gaan zich in het bijzonder richten op de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. In de regio Rijnmond zal het huidige Bureau Jeugdzorg Rotterdam zich omvormen tot gecertificeerde instelling.

Hoe zit het met de (gezins)voogd van mijn pleegkind?

De gecertificeerde instelling (nu Bureau Jeugdzorg) gaat o.a. de (gezins)voogdij uitvoeren. Of pleegkinderen dezelfde (gezins)voogd houden, is nog niet bekend. Duidelijk is dat Bureau Jeugdzorg moet krimpen en zich moet aanpassen aan de nieuwe situatie; zeker is dat een aantal medewerkers hierbij hun huidige baan verliest. André van der Pol: ‘We gaan ook de locatie Central Post verlaten en meer gebiedsgericht werken. We denken nog na hoe we dat gaan aanpakken: alle huidige zaken opnieuw verdelen, of alleen nieuwe zaken indelen in de gebieden.’

Moet ik nu wel of niet de pleegoudervoogdij nemen?

Steeds vaker krijgen pleegouders de vraag van Bureau Jeugdzorg of zij de voogdij over hun pleegkind willen nemen. Belangrijk is dat daarbij ook gekeken wordt of dit consequenties heeft in het kader van de transitie, in het bijzonder het woonplaatsbeginsel. Dat kan namelijk het geval zijn als pleegouders buiten de regio Rijnmond wonen. Yvonne van Adrichem: ‘Of pleegouders de voogdij op zich willen nemen – als die vraag komt – is uiteindelijk een besluit van pleegouders zelf. Pleegouders moeten goed nadenken, of zij dit echt willen. De begeleider pleegzorg kan hierin meedenken en adviseren. Als er bijvoorbeeld problemen zijn bij de uitvoering van de bezoekregeling of als er juridische kwesties lopen, blijft ons advies om de voogdij (nog) niet over te nemen.’

Hoe wordt aanvullende zorg voor mijn pleegkind geregeld?

Sommige pleegkinderen krijgen naast pleegzorg ook andere hulp; bijvoorbeeld de hulp van een psycholoog of ze volgen een training. Als het pleegkind nu dergelijke hulp krijgt, loopt dit na 1 januari 2015 gewoon door. In vrijwel alle gevallen, zal de hulp uitgevoerd worden door dezelfde instelling en – als het even kan – door dezelfde hulpverlener.

Krijgt het pleegkind nu nog geen extra hulp, maar heeft het dat na 1 januari 2015 wel nodig? Wij weten nog niet precies hoe een dergelijke aanvraag straks gaat lopen. De meeste gemeenten moeten namelijk nog vaststellen hoe de toegang tot de zorg wordt geregeld. Er zijn nog geen antwoorden op vragen als: Welke zorg is vrij toegankelijk? Waarvoor is een indicatie nodig? Wat zijn de indicatiecriteria? Wie stelt de indicatie op? Dit kan ook per gemeente gaan verschillen. Voor de aanvullende hulp zal het woonplaatsbeginsel van toepassing zijn. Als er aanvullende hulp voor uw pleegkind nodig is, dan kunt u bij uw begeleider pleegzorg terecht voor meer informatie.

Zijn er straks nog voldoende geschoolde en ervaren mensen aan het werk?

Uit zowel de Jeugdwet als het regionale transitiearrangement blijkt de intentie om de jeugdzorg uit te laten voeren door ervaren professionals. Zo is in de wet opgenomen dat de zorgaanbieders het werk verantwoord moeten toebedelen en moeten werken met geregistreerde professionals; medewerkers in hbo-functies moeten o.a. adequaat opgeleid zijn, aantoonbaar hun vak bijhouden en zich houden aan de beroepscode.

Het regionale transitiearrangement waarborgt dat de bestaande expertise en ervaring van de huidige zorgaanbieders ook in de komende jaren wordt benut. Zo zullen bijvoorbeeld de Rotterdamse wijkteams divers zijn samengesteld met hulpverleners uit de jeugd- en opvoedhulp, de jeugd GGZ en de LVB. Daarnaast worden alle wijkteam medewerkers geschoold om in een wijkteam te werken en de Rotterdamse opvoedvisie in praktijk te brengen. FlexusJeugdplein ziet dit proces met vertrouwen tegemoet en hoopt dat ook op de langere termijn de kostprijs niet de overhand krijgt boven goede en verantwoorde zorg.

Opent het nieuwe stelsel de deur voor biologische ouders om (opnieuw) hun gelijk te gaan halen of gemaakte afspraken te wijzigen?

Rechterlijke uitspraken, indicaties en afspraken blijven ook na de overheveling van de jeugdzorg naar gemeenten van kracht. En, als het even kan, blijven dezelfde mensen bij een gezin betrokken. Als dat niet mogelijk is, wordt het dossier zorgvuldig aan een collega overgedragen. Dit neemt niet weg dat er ruimte is voor biologische ouders is om gemaakte afspraken (opnieuw) ter discussie te stellen. De stelselwijziging zelf is echter geen aanleiding om gemaakte afspraken te heroverwegen of bij te stellen.