Nieuwsbrieven / Een kansloze missie

Column – Een kansloze missie

April 2019 – Bijna 21 jaar geleden wordt ergens in een groezelig achteraf flatje in Rotterdam een tweeling geboren. Twee rossige jochies die de eerste paar jaar van hun leven bij hun alleenstaande, zwakbegaafde moeder opgroeien. Zij heeft maar amper een idee van wat kleine kinderen nodig hebben. Als gevolg daarvan eten ze soms dagenlang moorkoppen uit een doosje, simpelweg omdat die in de aanbieding waren. Veel erger nog is dat ze op een ander moment dagenlang worden opgesloten in hun slaapkamertje en hun behoeften in datzelfde doosje moeten doen. Een vader is er niet. Wel een oma die stapeldol is op het tweetal.

De jochies – Kees en Karel – worden op zevenjarige leeftijd uit huis geplaatst. Ze zijn ondertussen zo beschadigd dat men een plaatsing in een pleeggezin niet gelijk aandurft en ze worden samen op een leefgroep geplaatst. De jongetjes mogen in de vakanties bij oma logeren, maar dan wordt oma ziek en moet er een logeergezin worden gezocht. Geen gemakkelijke opgave want de gezinnen liggen voor deze pittige tweeling nu eenmaal niet voor het oprapen. Het enige gezin wat het wel aandurft is een reformatorisch gezin. Op het eerste oog geen geweldige match, de jongetjes vloeken en schelden zich regelmatig de dag door. Toch is de tweeling welkom en dus staan ze in de meivakantie van 2005 bij familie Lagendijk op de stoep. ‘Wij komen logeren’, zegt Kees. Karel zegt niks. Die vindt het maar spannend allemaal.

Kees en Karel hebben een heerlijke week en ook familie Lagendijk geniet zichtbaar van de twee kinderen, ze houden contact. Oma wordt ondertussen steeds zieker. Op haar sterfbed vraagt ze of de familie Lagendijk voor de jongetjes wil zorgen. De jeugdbeschermer en de pleegzorgbegeleider van destijds gaan elk intern in overleg. ‘Ik weet het niet hoor’, zegt de gedragsdeskundige van de jeugdbeschermer. ‘Dat kan toch nooit wat worden’, meent het team van de pleegzorgbegeleider. Toch besluiten de twee ervoor te gaan, geheel tegen het advies van hun organisaties in. Zij hebben er samen alle vertrouwen in en de tweeling verhuist in oktober 2005 naar familie Lagendijk.

Inmiddels zijn we ruim 13 jaar verder. Ik ben de huidige pleegzorgbegeleider van familie Lagendijk en sluit vandaag een crisisplaatsing bij hen af. ‘Hoe is het nu met Karel’, vraag ik de pleegmoeder. Ik heb hem de laatste jaren mogen begeleiden, totdat hij 18 werd. Kees woont al een hele tijd niet meer bij familie Lagendijk, maar Karel nog wel. Tenminste…als hij niet op de kazerne is. Of bij zijn vriendinnetje. ‘Volgende maand wordt hij beëdigd’, vertelt pleegmoeder trots. ‘Wat zou het toch leuk zijn als die twee mensen van toen zouden weten hoe goed het met mij gaat’, had Karel laatst tegen haar gezegd.

Terug op kantoor denk ik na over die laatste opmerking. De werkdruk is enorm binnen ons werkveld. Het verloop onder zowel pleegzorgbegeleiders als jeugdbeschermers is groot. Er gebeuren zoveel nare dingen, het is soms gewoon teveel en mede daarom stoppen mensen met dit prachtige werk. Omdat er maar zo weinig positieve verhalen zijn. Of delen we ze simpelweg te weinig met elkaar?

Voordat ik me kan bedenken, pak ik de telefoon en bel het algemene nummer van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond. Ik word doorverbonden met de jeugdbeschermer van destijds, die er nog steeds blijkt te werken. Het loopt tegen lunchtijd. Erg vrolijk klinkt ze niet. Aarzelend vertel ik waarover ik bel. Over Karel. Of ze zich die nog herinnert. Dat het zo goed met hem gaat. Dat hij een leuke opleiding volgt. Dat hij een lieve vriendin heeft. En een mooie auto. Dat hij nog steeds bij familie Lagendijk woont. Dat hij daar heel gelukkig is. Dat hij blij is dat zij destijds haar gevoel heeft gevolgd.

Even blijft het stil. Dan vertelt ze dat ze eigenlijk op het punt stond om te gaan lunchen. Dat ze haar telefoon niet had willen opnemen. Dat ze een rotdag heeft vol narigheid. Dat het bijna vakantie is maar ze bij lange na haar werk niet af heeft. Maar ook dat ze toevallig deze week nog aan de jochies heeft gedacht. Dat ze kippenvel heeft van wat ik haar vertel. Dat ze blij is dat ze toch heeft opgenomen.

Ik ben ook blij. Blij dat ik de tijd heb genomen om dit positieve verhaal met haar te delen. Laten we met elkaar eens wat vaker de mooie dingen van het leven delen. Daar wordt de wereld namelijk elke dag een beetje leuker van.

Een pleegzorgbegeleider